Lustrumconferentie 15 jaar CEA: ‘Kalm aan en rap een beetje!’

Verslag door Luc Quadackers

‘Kalm aan en rap een beetje!’ heette de theatershow van cabaretier Herman Finkers uit 1998. Die titel dekt aardig de lading van de uitdagingen voor het accountantsberoep op het gebied van de accountantsopleiding. Er moet snel iets veranderen, want de studentenaantallen lopen terug. Dat is zorgelijk. De accountant vervult namelijk een cruciale rol in de stabiliteit van de financiële markten en bij het aangaan van de uitdagingen die voor ons liggen, bijvoorbeeld op het gebied van duurzaamheid. Tegelijkertijd bleek tijdens de derde CEA-lustrumconferentie ‘Toekomst van de accountantsopleiding’ dat duurzame aanpassingen van onderwijs en (praktijk)toetsing ook veel tijd kosten. Men kan dus niet over een nacht ijs gaan. Gelukkig biedt de huidige accountantsopleiding zeker aanknopingspunten voor verbetering. Onder leiding van CEA-voorzitter Willem te Beest spraken achtereenvolgens Jan-Paul Leerentveld (CEA-secretaris), Walter van den Broek (psychiater en Opleidingsdirecteur Geneeskunde), Wim Gijselaers (hoogleraar Professionele Ontwikkeling) en Tamara van Schilt-Mol (lector Eigentijds Beoordelen en Beslissen). Hierna volgt een samenvatting hun inspirerende lezingen en van de afrondende discussie. 

Het onderwijsroer moet om

CEA-secretaris Jan-Paul Leerentveld blikte terug op de afgelopen 15 jaar, maar hij benadrukte vooral het belang van vooruitkijken, waarmee de CEA op dit moment intensief aan de slag is. Leerentveld schetste de CEA-historie aan de hand van een tijdlijn met belangrijke data. Hieruit bleek onder andere dat de CEA-toekomstvisie op de accountantsopleiding uit 2010 duidelijk te herkennen is in het huidige opleidingsmodel. Ook is sinds de start van de CEA veel verbeterd in termen van vergelijkbaarheid en aansturing van de opleidingen. Daarnaast zijn de eindtermen -en het toezicht daarop- vereenvoudigd en doorontwikkeld. In 2021 is de strategie herijkt en het streven is om uiterlijk in 2025 een nieuwe set eindtermen te presenteren. Ondanks de vele aanpassingen zijn echter steeds minder jongeren geïnteresseerd in de accountancy. Ook veel studenten die wel voor het beroep worden opgeleid, kiezen uiteindelijk voor een andere baan. Om het tij te keren moet ook het onderwijsroer om. Leerentveld verwijst naar een recente opmerking van een Oostenrijkse accountantsopleider: ‘als de Nederlandse opleidingsvereisten bij ons zouden gelden, dan zou niemand meer accountant willen worden’. Die uitspraak spreekt boekdelen.

kl_6436_CEA_jubileum_29september2022.jpg

De drie belangrijkste uitdagingen voor de CEA zijn: de praktijkgerichtheid en de studeerbaarheid van de opleidingen en de innovatie op het gebied van onderwijs en toetsing. Een grote groep accountants(opleiders) en studenten vindt de integratie van de theoretische en praktische opleiding onvoldoende. De vraag is tevens of de lat niet te hoog wordt gelegd. Op het gebied van innovatie is ook nog veel te winnen. Leerentveld kenschetste de accountantsopleiding als behoudend en traditioneel, terwijl vooruitstrevendheid en innovatie gewenst zijn. De opleiding is te veel gericht op het toevoegen van kennis. Aangezien het onmogelijk is om schapen met vijf poten op te leiden moeten weloverwogen keuzes worden gemaakt. Sinds 2017 voert de CEA hierover al intensieve gesprekken met het werkveld en op dit moment loopt het project Stip aan de Horizon (samen met de Raad voor de Praktijkopleidingen van de NBA). Hiervoor vinden diverse hackathons plaats met belanghebbenden. Leerentveld: ‘we merken dat veel mensen bereid zijn tot verandering, maar het is nog zoeken naar hoe dat het beste kan plaatsvinden. Daarvoor is het zeer leerzaam om inspiratie op te doen bij andere beroepen en binnen de wetenschap. Vandaar ook dit symposium’.

‘I have to change to stay the same’

De tweede spreker was Walter van den Broek, psychiater en Opleidingsdirecteur Geneeskunde van het Erasmus MC en wetenschappelijk directeur van het Institute of Medical Education Research Rotterdam (iMERR). Aangezien de beroepsopleiding tot basisarts parallellen vertoont met de accountantsopleiding, ging Van den Broek in op de vraag hoe de medische wereld omgaat met de uitdagingen van de beroepspraktijk en -opleiding. Hoe integreer (of koppel) je theorie en praktijk?

Hij gaf allereerst een gedetailleerd overzicht van de bachelor- en masterfase, die beide drie jaar beslaan. De bacheloropleiding is georganiseerd aan de hand van thema’s, ‘lijnen’ en keuzeonderwijs. Dat contrasteert met het aanbod van traditionele vakken zoals dat in de accountantsopleidingen gebruikelijk is. Het thematisch onderwijs is geordend op basis van mechanismen van ziekten en neemt als vertrekpunt de klacht of zorgvraag van de patiënt. Het lijnonderwijs richt zich op het aanleren van vaardigheden en het begeleiden van de professionele ontwikkeling. De lijnen zijn inhoudelijk afgestemd op de thema’s. In de keuzeruimte kunnen studenten hun kennis en vaardigheden verdiepen en/of verbreden, aan de hand van kleinschalig onderwijs.

Binnen de opleiding bestaat veel begeleiding door het inzetten van tutoren (inhoudelijke begeleiding in kleine groepen), mentoren (bijeenkomsten om een goede student te worden) en coaches (twee keer per jaar gesprek over talenten en verbeterpunten). Er is ook volop aandacht voor stresshantering binnen het beroep en het voorkomen van burn-out. Verdere uitgangspunten zijn het herhalen en aanvullen van de geleerde stof, het trainen en toetsen van klinische vaardigheden vóór de start van meeloopstages, toenemende zelfstandigheid in de vaardigheden (die ook steeds complexer worden) en zoveel mogelijk aansluiting zoeken bij de beroepspraktijk. In de masterfase lopen de studenten coschappen, waarbij toegespitste onderwijsperiodes voorafgaan aan de praktijkperiodes (‘just-in-time-onderwijs’). Studenten krijgen de relevante theorie en kennis dus uitgebreid aangereikt op het moment dat ze die daadwerkelijk gaan toepassen.

Er is bovendien veel tijd ingeruimd voor professionele ontwikkeling en academische vorming, vaak in groepsverband. Daarbij besteedt men onder andere aandacht aan het doorgronden en op waarde schatten van medisch-wetenschappelijke literatuur (evidence based medicine), het bespreken en toepassen van inzichten uit de medische ethiek, (wetenschaps)filosofie, medische geschiedenis en gezondheidsrecht, en het overbrengen van argumentaties in de vorm van presentaties, discussies en schrijfopdrachten. De studenten zijn dus actief en reflectief bezig met de leerstof en de manieren waarop die kan worden ingezet. Dat bevordert een actieve leercultuur, ook in de latere beroepspraktijk (bijvoorbeeld intervisie).

kl_6460_CEA_jubileum_29september2022.jpg

Het curriculum zit gedegen in elkaar en is gebaseerd op het landelijk Raamplan Artsopleiding. Toch bevat het curriculum volgens Van den Broek te veel hoepels waar studenten doorheen moeten springen. De opleiding is nog te veel gericht op het halen van de toetsen. Die aanpak stimuleert leermethoden waardoor kennis slecht blijven hangen. Bovendien is er geen reflectie achteraf, na de toetsen, waardoor men niet optimaal leert van fouten of lacunes in de kennis. Deze verbeterpunten, in combinatie met de toenemende uitdagingen in de zorgsector (bijvoorbeeld de toename van complexe chronische zorg in de huisartsenpraktijk), leiden ook binnen de medische opleiding tot de vraag hoe de opleiding goed kan worden aangesloten op de jonge moderne mens. Kortom, ook in dit vakgebied geldt: ‘I have to change to stay the same’. Op basis van een nieuwe opleidingsvisie (‘Erasmusarts 2030’) -met als zwaartepunten maatschappelijke betrokkenheid, technologie en academische vorming- is de onderwijsvisie 2030 ontwikkeld. De zes pijlers van de onderwijsvisie zijn: inclusiviteit; spiral curriculum (stimuleren de langetermijnkennis- en competentieontwikkeling); leren over en in de beroepscontext; interprofessioneel samenwerken; transformatief leren (continu aanboren van verwondering, vertwijfeling en levenservaring) en het aanvuren van groei.

Volgens Van den Broek is het belangrijk dat het nieuwe Raamplan Artsopleiding breed en ‘zo vaag mogelijk’ is, dan kunnen alle geneeskunde opleidingen ermee uit de voeten en er hun eigen invulling aan geven. Ook is het goed om naar individuele vakken te kijken. Sommige vakken zijn zeer specialistisch en studenten hoeven daar niet allemaal diepgaand kennis van te nemen tijdens de basisopleiding (Van den Broek noemt als voorbeeld de aandoening schizofrenie). Ook kunnen vakken soms worden vereenvoudigd, terwijl de kern van het vak wel degelijk wordt geraakt. Zo wordt het vak anatomie tijdens de basisopleiding nu op een aantal plekken al gedoceerd aan de hand van een specifiek lichaamsdeel met gewricht (bijvoorbeeld de arm). De opgedane conceptuele kennis is in principe ook goed toepasbaar op andere lichaamsdelen en kan de student zich indien nodig relatief eenvoudig eigen maken. De vraag is dus hoe studenten een goede basis kunnen leggen waarmee vervolgens kennis snel kan worden eigengemaakt bij specialisatie. Vakken blijven dus relevant, maar kunnen slimmer worden aangeboden.

‘Wat gebeurt hier nu eigenlijk?’

Wim Gijselaers is hoogleraar Professionele Ontwikkeling aan Maastricht University en doet al een ruim aantal jaren onderzoek op het gebied van professionele ontwikkeling binnen de accountantscontrole. Hij begeleidt ook de recente hackathons in het kader van het project Stip aan de Horizon. Gijselaers nam de aanwezigen mee langs de ontwikkeling van het kijken naar professies en daaraan gekoppeld onderzoek. Die weg voerde van professionele expertise, via professionele identiteit naar professionele reflectie.

Gijselaers startte met expertise en gaf als beknopte tongue-in-cheek-samenvatting: ‘uw oordeelsvorming op het gebied van accountancy moet beter zijn dan de mijne’. Hij onderscheidt twee soorten domeinen en besprak de kwaliteit van de oordeelsvorming daarin. Experts hebben hoog-accurate oordeelsvorming in hoog-valide domeinen zoals meteorologie en schaken. Experts hebben laag-accurate oordeelsvorming in bijvoorbeeld rechtspraak of klinische psychologie. Een domein is óf wiskundig georganiseerd óf maakt gebruik van procedures, beslisregels en data. In het laatste geval is een professioneel oordeel noodzakelijk. Gijselaers gebruikte hier Kahnemans beroemde tweedeling Thinking fast and slow ter onderbouwing van het verschil tussen hoog-valide werkomgevingen (waar intuïtie goed werkt) en laag-valide werkomgevingen (waar ‘analoog redeneren’ nodig is). Gijselaers: ‘Accountants hebben de neiging om hun domein als hard te presenteren, vanwege het werken met cijfers. Maar ook met harde data kun je in een laag-valide domein zitten’. Bij de valide kennisdomeinen is patroonherkenning een belangrijk kenmerk. Patronen leer je door het oefenen met oplopende complexiteit en van het begrijpen van regels. Experts zijn hier bovengemiddeld in staat om patronen te zien. In een economische context komen experts in hun analyses echter tot andere antwoorden als ze soortgelijke situaties moeten beoordelen op verschillende momenten. Hieruit kunnen we concluderen dat expertoordelen in een economische setting minder stabiel zijn. Ze zijn context-afhankelijk en worden sociaal bepaald.

Onder de identiteits-vlag vatte Gijselaers een onderzoek samen op het gebied van de beoordeling van debiteurenposities. Hierin werd gekeken welke relatie ervaringsjaren van accountants hebben met zoeken naar informatie, zelfvertrouwen en juistheid van beslissingen. Naarmate de ervaring toeneemt zoeken accountants minder informatie, heeft het zelfvertrouwen een u-achtig verloop en neemt de accuratesse van het oordeel na enige tijd af. Echter, voor accountants die een kritische ervaring hadden meegemaakt schoof de accuratesse flink omhoog. Een verdere opwaartse verschuiving vond plaats als ook nog op die ervaring werd gereflecteerd. Hieruit volgt de les dat het leerzaam is om praktische ervaringen al in te bouwen in het theoretische deel van de opleiding.

Op het gebied van reflectie en leercultuur besprak Gijselaers een onderzoek waarin accountants vijf jaar zijn gevolgd om te onderzoeken waarom zij wel of niet werkzaam bleven bij een kantoor (en binnen het beroep). Eerlijke en open feedback, elkaar helpen, open discussies en het kunnen stellen van de ‘waarom-vraag’ leiden tot groter behoud van accountants. Werkomgeving is een voorspeller of mensen in het beroep blijven. Salaris, bijvoorbeeld, heeft daarentegen een zeer lage samenhang met die beslissing. De laatste experimentele studie die Gijselaers aanhaalde betrof het geven van feedback door reviewers op jonge accountants (die working papers maakten met betrekking tot inventarisatie). Uit de resultaten blijkt dat kwalitatief hoge feedback vooral werd gegeven aan accountants met beneden-gemiddelde prestaties en die een hoge kans hebben om weer bij dezelfde cliënt terecht terug te komen. Feedback moet echter ook zijn gericht op hoe iemand zich professioneel verder kan ontwikkelen. Dat past bij een actieve leercultuur en is dus een aandachtspunt.

Gijselaers sloot zijn betoog af met de stelling dat studenten meer moeten worden opgeleid om zich vaak af te vragen: wat gebeurt hier nu eigenlijk? Het is van belang dat ze theorie kunnen plaatsen tegenover deze gestelde vraag, tegen de ervaringen die ze idealiter eerst in de praktijk opdoen. Hij pleit ervoor om als startpunt van de opleiding ‘business in context’ te nemen (bij welk bedrijf ga ik eigenlijk een controle doen?) en dan via business & data en data & IT toe te gaan naar informatie & oordeel. Je werkt in de opleiding dus eigenlijk van achter naar voren. Hierbij moet reflectie op de complexiteit van de professie en het kantoor steeds een belangrijke plek innemen.

‘Kleine aanpassingen kunnen al grote veranderingen teweegbrengen’

Tamara van Schilt-Mol is lector Eigentijds Beoordelen en Beslissen aan de HAN. Onder eigentijds beoordelen en beslissen verstaat zij

‘het bewust en weloverwogen inzetten van toetsen als integraal onderdeel van het onderwijs, waarbij op basis van informatierijke beoordelingen zorgvuldige beslissingen genomen worden over (het leren van) leerlingen en de kwaliteit van het onderwijs wordt geoptimaliseerd’.

Dit betekent onder andere dat de gebruikte toetsing moet passen bij de visie op het onderwijs, dat de ontwerpkeuzes rekening houden met relevante wetenschappelijke bevindingen (ze zijn evidence-informed) en dat docenten informatie uit toetsen ook gebruiken bij het reflecteren op het eigen handelen. Maar bovenal blijkt het belang van het erkennen van de diverse functies van toetsing. Toetsen hebben een leerfunctie (het stimuleren en sturen van het leren van studenten), een beslisfunctie (het nemen van zorgvuldige beslissingen) en een evaluatiefunctie (het optimaliseren van het eigen handelen en de kwaliteit van het onderwijs). Vaak vindt toetsing echter nog aan het einde van het leerproces plaats, terwijl het een zo belangrijke plek kan innemen tijdens het onderwijs.

Toetsing heeft volgens Van Schilt-Mol een directe relatie met goed onderwijs. De kwaliteit van het toetsprogramma (of beter: het programma van toetsvormen) is belangrijker dan een enkele toets. Een enkele toets kan nooit perfect zijn. Een toets is als een enkele pixel van een foto: daar kun je niet zoveel mee. Een beargumenteerde keuze van meerdere toetsvormen is essentieel. Daarnaast is het belangrijk om de beperking van cijfers in ogenschouw te nemen. Het verschil tussen een 6,1 en een 6,2 zegt niet zoveel. Ook zijn toetsingen verschillend van aard, waardoor het middelen van die cijfers niet veel betekenis heeft. ‘We gooien vaak alle cijfers in de blender. Met appels en peren proberen we bananen te meten’, aldus Van Schilt-Mol. Verschillende kwaliteitscriteria bepalen de toepasbaarheid van toetsen, waaronder de kosten, acceptatie, onderwijskundige impact, betrouwbaarheid en validiteit. In de praktijk blijken op al die terreinen compromissen nodig.

kl_6420_CEA_jubileum_29september2022.jpg

Een ding is duidelijk: beroepsuitoefening is complex en de vereiste complexe competenties vragen een lange ontwikkeltijd, waarbij een mix aan onderwijsmethoden (en toetsvormen) nodig is. Nu is het nog vaak zo dat studenten met name bestuderen wat uiteindelijk op de toets wordt gevraagd. Het toetsen stuurt het leren. Van Schilt-Mol illustreerde dit treffend met een uitspraak van haar eigen zoon die zei dat hij voor niets had geleerd toen het vak Geschiedenis op school was uitgevallen. Dat is niet goed voor de kennisontwikkeling. Van Schilt-Mol geeft aan dat één beslissend mondeling voor het al dan niet afstuderen als accountant eigenlijk niet kan bij een dergelijk complex beroep. Het is daarom nodig om toetsing ook op andere manieren in te zetten, bijvoorbeeld als tussentijdse beoordelings- en leermomenten gedurende het onderwijs. En een toets hoeft niet altijd tot een cijfer te leiden. Van Schilt-Mol: ‘we moeten met toetsen toewerken naar wat de student nodig heeft. Dat vergt tijd. Het vraagt om een cultuuromslag. Men moet het eens zijn waartoe wordt opgeleid en wat ieders rol daarin is. Er wordt door opleiders vaak nog te veel vanuit het eigen vak gedacht’. Volgens Van Schilt-Mol kun je overigens aan de hand van kleine aanpassingen al grote veranderingen teweegbrengen. Wel vraagt eigentijds toetsen een flinke (didactische) investering van alle betrokkenen.

Discussie: noodzaak tot verandering is duidelijk, maar hoe verder?

De meeste aanwezigen zien de noodzaak tot verandering, maar uit de discussie bleek dat concrete stappen lastig zijn. Een mogelijk vruchtbare optie die uit de presentaties voortvloeide is het meer vervlechten van theorie en praktijk tijdens de opleiding. Een idee is bijvoorbeeld dat studenten niet meer wekelijks op vrijdag onderwijs volgen, maar een aantal keer per jaar enkele weken achter elkaar, net als bij enkele ‘internationale’ accountantsopleidingen. Het zou interessant zijn om samen met de kantoren te onderzoeken of daarin ook een betere match tussen praktijk en theorie kan worden aangebracht, zoals ook gebeurt in de artsenopleiding. Tijdens de conferentie wordt een aantal keren aangekaart dat goed naar de jongere generatie accountants moet worden geluisterd. Zij hebben uitstekende ideeën over mogelijke herzieningen, zoals dat ook al duidelijk bleek tijdens de recente hackathons.

Een vereenvoudiging van de accountantsopleiding kan plaatsvinden door het aanpassen van vakken en door het anders inrichten van de toetsingen. Op de vraag welk vak of welke vakkennis hiervoor in aanmerking zou komen -denkend aan de besproken wijzigingen in het geneeskundevak anatomie- verschillen de meningen. Hierbij passeerde het vak boekhouden kort de revue. Dat vak neemt momenteel vrij veel ruimte in. Er zou kunnen worden overwogen hoe de basis kan worden gedoceerd en de specialistische invulling daarvan op een ander moment in de loopbaan aan de orde zou kunnen komen.

Ook werd besproken dat de lat voor de startbekwame accountant mogelijk te hoog ligt. Hierop kwam Van Schilt-Mol met een mooie repliek: ‘jullie kunnen ook proberen de lat op een andere manier te bereiken’. Kortom, genoeg stof tot nadenken. Of beter nog: stof tot actie, want er moet snel iets gebeuren. Liefst met de wijsheid van Herman Finkers in het achterhoofd: ‘kalm aan en rap een beetje. Of zoals Keizer Augustus, Erasmus, Goethe en Nietzsche wat netter zeiden: ‘haast u langzaam’.